TAO: Doubleren, nutteloos of niet?

Foto: ANP

Door: Noëlle Habraken en Lieke Preijde

In mei dit jaar pleitte CNV Onderwijsbond ervoor om leerlingen niet langer te laten doubleren. “Stel”, schreef voorzitter M. Rog – nu CDA-Tweede Kamerlid-, “een leerling heeft een bijbaan in de supermarkt als vakkenvuller. Hij vult een paar schappen en dan blijkt dat de borrelnootjes en chips niet netjes zijn uitgestald. Het moet over. Wat te doen? Alle schappen leeghalen en helemaal opnieuw beginnen, of op naar het vak waar het knabbelwerk ligt en voldoen aan het gevraagde? Ik denk het laatste.”

In Nederland zijn er ruim 95.000 scholieren per jaar op de middelbare school en bijna de helft van hen heeft een langere schoolcarrière dan de bedoeling is in diens onderwijsniveau. Dit kan komen doordat ze ervoor kiezen om een overstap te maken naar een hoger onderwijsniveau, van havo naar vwo bijvoorbeeld. Het kan ook komen doordat ze blijven zitten in hun jaar, ook wel doubleren genoemd.

Doubleren heeft voor veel mensen negatieve gevolgen. Zo raken veel leerlingen gedemotiveerd doordat ze alle vakken moeten herhalen, terwijl ze misschien maar op twee vakken gezakt waren. De leerlingen moeten van groep wisselen, wat voor velen van hen ook spanning op kan roepen, aangezien ze uit hun vertrouwde  sociale situatie gehaald worden. Ook blijkt dat doubleren in veel gevallen leidt tot een inefficiënte besteding van de onderwijstijd. Dit komt doordat de zittenblijvers geen specifieke hulp krijgen, maar een algemeen programma moeten herhalen dat in het eerste geval al onvoldoende voor hen werkte (Inspectie van het Onderwijs, 2015).
Bovendien heeft het doubleren niet alleen negatieve gevolgen voor de leerlingen, het is ook nog eens duur voor de staat zelf. Onderzoekers hebben gekeken hoeveel leerlingen in 2012 van het vmbo, de havo en het vwo het eindexamen haalden en hoeveel daarvan tijdens zijn of haar middelbare schoolcarrière een jaar moesten overdoen. Het aantal ‘klassen-herhalers’, circa 25000 in het voortgezet onderwijs, is vervolgens vermenigvuldigd met 6.500 euro – de minimale kosten die de overheid betaalt per kind voor een jaar les. Het CPB komt met deze berekening uit op kosten van 300 miljoen euro per jaar voor de overheid, waarbij de kinderen die op de basisschool blijven zitten nog niet eens zijn meegerekend.

Ook is het doubleren niet voor iedereen direct effectief. Om te bepalen hoe effectief zittenblijven is, is een analyse uitgevoerd naar de mate van succes van het zittenblijven door de inspectie van het onderwijs. Gekeken is naar de leerlingen die in 2009 in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs zijn blijven zitten. Hieruit blijkt dat voor de onderwijssoorten vmbo-basis, havo en vwo het percentage leerlingen dat in leerjaar 3 is blijven zitten én uiteindelijk het diploma heeft behaald of zal behalen, onder de 50 procent ligt. Het is lastig om dit getal te duiden. De helft van de zittenblijvers weet de extra geboden kans te verzilveren. Wellicht had dat ook op andere manieren gekund, maar ze halen in ieder geval de eindstreep en sluiten hun schoolloopbaan succesvol af met een schooldiploma. Voor de andere helft geldt dat niet. Dat is een aanzienlijk percentage. Voor deze zittenblijvers leidt het zittenblijven niet tot het beoogde diploma en is zittenblijven dus geen succesvolle interventie gebleken. Dat roept natuurlijk de vraag op of doubleren wel de beste oplossing is.

Oké, het doubleren werkt dus niet altijd en niet voor iedereen, maar wat moet er dan gebeuren als leerlingen niet de gewenste cijfers voor de vakken halen? Vaak blijven leerlingen zitten op een aantal vakken en zelden op alle vakken. Het is goed om meer aandacht te besteden aan de individuele leerling. Als je merkt dat een persoon bijvoorbeeld heel goed is in de bètavakken, maar heel slecht is in de talen dan zou daar meer aandacht naar toe moeten. Dit in plaats van een heel jaar overdoen om vervolgens niks te doen bij je goede vakken en wat meer je best te doen bij je moeilijkere vakken. Óf de leerlingen moeten de kans krijgen om zich volledig te ontwikkelen in hun talenten. In andere  landen bestaan er hele andere schoolsystemen. In Polen bijvoorbeeld, waar leerlingen zelf een beperkt aantal vakken kunnen kiezen en zich daar meer in gaan specialiseren waardoor de voor hun moeilijke vakken wegvallen. Nederland wilt echter breed opgeleide inwoners en voor een beroep is hier een goede basiskennis van andere vakgebieden nou eenmaal ook belangrijk. Dus dan moet er in het onderwijs wellicht meer gekeken worden naar de zwakke punten van een leerling en moet daar meer aandacht aan besteed worden in plaats van een heel jaar overdoen, wat voor de meeste vakken onnodig is. Bijscholing is hierbij zeker een goede efficiënte oplossing.

Doubleren lijkt voor de scholen en leerlingen zelf een makkelijke oplossing, maar niets is minder waar. Het kost de overheid ontzettend veel geld, het is niet effectief waardoor het demotiveert en uiteindelijk blijkt dat ruim genomen maar de helft van de doubleurs alsnog hun opleiding succesvol afsluiten. Al met al zou er misschien gekeken moeten worden naar een andere oplossing voor het doubleren. Het onderwijs in Nederland is zeker niet slecht, iedereen kan naar school toe. Ook hier is echter ruimte voor ontwikkeling en verbetering. Het is goed om onszelf soms af te vragen of de huidige systemen nog wel de beste zijn. Terugkomend op de supermarkt, niemand wil toch in de supermarkt alle schappen opnieuw gaan staan vullen als alleen de chips en de borrelnootjes niet goed zijn neergelegd?